Panama heeft, behalve dat bekende kanaal, ook de quetzal, een zeldzame prachtvogel. En toekans, miereneters, luiaards en de mooiste zeesterren. Journalist Astrid Theunissen ging er op avontuur met haar zoon Titus (11).

Kedeng. Kedeng. Ritmisch beukt de speedboot met volle kracht op de golven. Wij veren op en vallen neer, zeewater spat in ons gezicht. Titus, mijn zoon van 11, straalt van de opwinding. Ik lach terug, zij het wat verbeten vanwege de klappen op mijn rug, maar dit ongemak is terstond vergeten als we aanmeren bij een van de vierhonderd bountyeilandjes van de San Blas-archipel ten noordoosten van Panama. Als we vanuit de boot in de kraakheldere Caribische zee stappen, zien we joekels van zeesterren, en voor onze tenen ligt een kleurige schelp met een nieuwsgierig weekdier erin.

Wat een land is het toch, dat Panama. Wie van natuur en dieren spotten houdt, kan er zijn hart ophalen. Een paar dagen eerder hadden we nabij het Soberania National Park – op slechts een halfuur rijden van de hoofdstad – al toekans gezien en kaaimannen en zo’n schattige luiaard. En Titus ontdekte ook nog hoog in een boom een klimmende miereneter: “Wat gaaf!” We roepen het tijdens onze drieweekse rondreis vele malen, ook nadat we in San Blas onze tas in de schamele strandhut hebben gestald en over het water turen. Daar springt zomaar een rog uit de zee omhoog!

De San Blas eilandjes worden bewoond door Kuna-indianen die een klein aantal toeristen laten logeren aan de rand van hun traditionele dorpjes. Hoewel dit volk doorgaans geen Spaans of Engels spreekt en bekendstaat als schuw, treffen wij ter plaatse een enthousiaste twintiger, die zich Tikie noemt. Tikie neemt ons en de drie Spaanse vriendinnen met wie we tegelijk arriveerden mee, naar een gezonken schip en een rif waar het geweldig snorkelen is, en toont ons de wonderlijke plek in zee, zo groot als een zwembad, waar het maar een halve meter diep is.

We doen ons tegoed aan langoustines en krabben die de Kuna voor ons vangen, kijken naar de zakkende zon, stoken vuur en zien om tien voor zes ’s ochtends de zon weer uit de zee rijzen.

Na vier vredige, verrukkelijke dagen is het dan ook even slikken om in Panama-stad geconfronteerd te worden met de zwerver, die bijna bloot, met een slagersmes op zijn buik in een portiek naast ons hotelletje ligt. Toch is het, weer gewend aan drukte, ook hier goed toeven, met name in de casco viejo, het sfeervolle historische stadsdeel, en op de cinta costera, de boulevard met zijn schaafijsverkopers, goochelaars en mooie uitzicht op de skyline.

Een acht uur durende busreis brengt ons vanuit Panama-City  naar Boquete. In het gebied rondom dit hooggelegen plaatsje woont de quetzal, een bijna fluorescerend turquoise vogel met een lange staart, die alleen in Panama voorkomt. Wij willen ’m dolgraag zien en het beroemde Quetzaltrail lopen, al is dit ruige wandelpad sinds 2014 enigszins berucht, omdat de Nederlandse stagiaires Kris en Lisanne hier spoorloos zijn verdwenen. Ik slaap er slecht van, en de eerlijkheid gebied me te zeggen dat, hoewel we hierheen zijn gereisd voor die quetzal, ik opgelucht ben dat ons in de dagen die volgen ten strengste wordt afgeraden om de zes, zeven uur durende trail te lopen. Te gevaarlijk. Het heeft te hard geregend, de paden zijn te glibberig, het water in de rivier die we meermaals moeten doorkruisen staat te hoog. Locals attenderen ons op een alternatieve tocht, langs de rand van de jungle, waar we vanwege de openheid een grote kans hebben een quetzal te zien. Het is een schitterende wandeling die leidt naar een waterval, maar gedurende vier uur is er geen vogel te zien. Totdat we bijna op een geasfalteerde weg aankomen. Recht voor ons zit ie. Een flinke vogel met een rood lijf en een lange zwarte staart met witte vlekken. Het is vast het introverte broertje van de beroemde quetzal, besluiten we opgetogen.

Er is regen voorspeld. Daarom besluiten we naar Bocas del Toro te reizen, een eilandengroep ten noorden van Boquete, nabij de grens met Costa Rica. De shuttlebus die direct naar de havenplaats Almirante rijdt, blijkt vol. We zijn aangewezen op lokale bussen die stoppen voor iedereen die langs de weg z’n hand opsteekt.

Het wordt een barre tocht. Zieke Titus spuugt over ons beiden heen en de vijf uur die volgen brengen we, misselijkmakend stinkend, door in een uitpuilend busje met voor onze neus een tv met een Afrikaanse sciencefictionfilm op volume 100 en een chauffeur die – al berg op, berg af rijdend – er lustig op los appt, tv-kijkt en flirt met zijn buurvrouw. Ik sluit mijn ogen, droom van de douche en de zalige zee die op ons wacht. Maar twee boottochten later volgt de desillusie. Het geboekte Ocean view blijkt geen idylle aan het strand, maar een steigerhuis tussen vuilnis en gieren.

De douche werkt, goddank. Het strand is ‘even’ lopen, zegt de eigenaar. Dat blijkt een understatement, en als we vertrekken waarschuwt de buurman ons voor struikrovers. We proberen de moed erin te houden op het vochtige junglepad, waarin we steeds dieper wegzinken. Met onze handen wroeten we in de modder naar onze achtergebleven slippers en vervolgen de weg omhoog op blote voeten, maar we glijden uit en vallen beurtelings in de modder. Naast een graf, zo blijkt. We waren zo op onze voeten gericht, dat we nu pas door hebben dat we op een kerkhof zijn. We kijken elkaar aan, laten de ogen in ons besmeurde gezicht rollen en keren zwijgend om. Het is onze dag niet, de locatie is beslist geen droomplek.

´Als we ’s avonds naar de sterren staren, weten we dat we ‘uitgereisd’ zijn.´

Maar die vinden we uiteindelijk wel. Vanaf het moment dat we de boot naar het afgelegen Red Frog Beach nemen, zijn we gelukkig. Accommodatie Selina’s blijkt een lieflijk hippieparadijs, waar bedden te huur zijn op een slaapzaaltje, maar dat ook over kamers beschikt met uitzicht op de boom met een luiaard en op tropische planten waarin minuscule rode kikkertjes zitten verstopt – vandaar de naam. Een junglepad naar beneden leidt naar een uitgestrekt strand met een woeste zee (die we net aankunnen), een strandtent met hangmatten en wat vrolijke jongeren waaronder een Zweed die Titus de eerste beginselen van het golfsurfen bijbrengt.

Als we ’s avonds naar de sterren staren, weten we dat we ‘uitgereisd’ zijn. Hier blijven we. Hier zwemmen we, zoeken we naar het gordeldier dat zich niet laat zien en gaan we op zoek naar mister Polo, een oude Panamees die op een strand een uur lopen verderop woont en van koken houdt. Naar verluidt trakteert hij zijn bezoekers voor vijf dollar op een lunch met de kreeft die hij ’s ochtends heeft gevangen. Titus en ik zijn altijd in voor een lekkere lunch en daar hebben we een stevige wandeling voor over, al beginnen we op een gegeven moment toch te zuchten. Het heeft gisteren gestortregend dus we baggeren, net zoals op het kerkhof, weer tot onze kuiten door de modder en ondertussen slaat de twijfel toe. Zijn we wel op de goede weg? We zien de zee al een tijd niet meer en terwijl we gevoelsmatig links willen aanhouden waar de zee moet liggen, leidt het pad ons naar rechts waar de jungle steeds ondoordringbaarder wordt. Onwillekeurig denk ik aan de verdwenen Nederlandse meisjes. “Denk aan de heerlijke kreeft”, houden we elkaar voor.

Tekst en fotografie: Astrid Theunissen

Je leest het volledige artikel in Fabulous Mama editie 1-2019. Deze bestel je hier.

Wil je op de hoogte blijven van de leukste artikelen en toffe winacties? Volg Fabulous Mama magazine dan op Instagram of op Facebook!