Fietsen in het swingende Tel Aviv, geschiedenis opsnuiven in Jeruzalem, snorkelen in Eilat en baden in de Dode zee. Astrid Theunissen reisde met zoon Titus (11) naar het ‘land van melk en honing’.

“Wàt een gezellige stad,” zeggen Titus en ik tegen elkaar als we kort na onze landing in Tel Aviv tussen de locals zitten in Dizengoff. Deze uitgaansstraat is een walhalla van terrassen met uitbundige gasten. Jongeren vooral, maar aangeschoven tussen onbekenden aan de lange tafel bij een Italiaans restaurant vallen wij, moeder van middelbare leeftijd en elfjarige zoon niet uit de toon. In een mum van tijd voeren we een geanimeerd gesprek met twee jongens, twintigers, die ook zo blij zijn met deze stad. Een jaar geleden hebben ze hun geboorteplaats Jeruzalem verruild voor Tel Aviv en ze voelen zich bevrijd op deze plek aan zee, vertellen ze lurkend aan een joint. “Het is hier zo veel liberaler dan in het religieuze Jeruzalem,” klinkt het. “Hier wordt iedereen omarmd: gays, transgenders, religieuzen, atheïsten, jong en (lachend naar mij) oud.”

De boulevard van Tel Aviv strekt zich uit van het oude noorden naar het voormalige fotogenieke havenstadje Jaffa in het zuiden. Israëli’s en toeristen scheuren voorbij op elektrische stepjes die via een app kunnen worden gestart. Wij besluiten – of beter gezegd ik – om heerlijk Hollands een fiets te huren. Dat is ook te gek, want zo zien we binnen drie, vier dagen zowat de hele stad.

We crossen langs de vloedlijn noordwaarts naar het Yarkonpark, door de prachttuin met kinderspeeltoestellen van het Hilton Hotel en begeven ons via de Rothschild Boulevard met zijn Bauhausgebouwen naar het hooggelegen Jaffa. Daar slenteren we door de wirwar van steile steegjes en bezoeken de nabijgelegen rommelmarkt waar het in de autovrije straatjes heerlijk buiten lunchen is. Een kwartiertje verderop ligt Florentin, een wat rauwe wijk boordevol graffiti waar studenten en kunstenaars in leegstaande pakhuizen wonen. Het wordt wel ‘het Soho van Tel Aviv’ genoemd. Er hangt een relaxte sfeer, iedereen doet zijn ding. Een groepje muzikanten zit op de stoep te jammen, op een straathoek verkoopt een hipster Titus voor een prikkie een cool tweedehands jack, in de bars nuttigen senioren een glas en zijn jongeren aan het werk. We kunnen precies zien hoe een twintiger naast ons op zijn laptop bikini’s van luipaardenprint ontwerpt en ter inspiratie een hijs van een blowtje neemt.

Op een vrijdag fietsen we naar de Carmelmarkt, een begrip in de stad. Op vrijdagavond na zonsondergang begint sabbat, de joodse rustdag, die duurt tot zonsondergang op zaterdag, en het lijkt of heel Tel Aviv is uitgelopen om op deze markt inkopen te doen voor de traditionele feestmaaltijd die avond. Orthodoxe joodse mannen, herkenbaar aan hun zwarte pakken, hoeden en pijpenkrullen langs hun oren, zeulen met dozen groente en fruit. Meisjes in legerkleding met de mitrailleurs losjes om de schouders slaan zakken noten en dadels in en adviseren ons de knapperige hoorntjes met banketbakkersroom te proeven. Zalig zijn ze, maar Titus is vooral onder de indruk van de dienstplichtigen en begint bij een stalletje te onderhandelen over de prijs van een keppeltje in camouflagekleuren dat hij op zijn lange blonde haren laat spelden, in de veronderstelling dat hij zo doorgaat voor een echte Israëliër.

Ondanks de aanwezigheid van het nodige legergroen heerst er uitbundigheid op en rondom de markt. In zijstraatjes verdringen families zich om een tafeltje voor een bord met humus. Het leven is een feest in Tel Aviv, zoals we de eerste avond al constateerden, behalve op sabbat. Dan is de stad uitgestorven, zijn de supermarkten en restaurants gesloten, en rijden ook de bussen niet.

Tekst en Fotografie Astrid Theunissen & Shutterstock

Lees het hele verhaal in Fabulous Mama editie 1-2020. Koop hem in de winkel of bestel deze hier