Henk van Straten (36) is schrijver, journalist en columnist. Hij is gescheiden en vader van Diek (11) en Tobias (7).

Zondag zat ik met mijn jongste zoon (7) aan het ontbijt. Mijn oudste (11) lag nog in bed. Hij valt ’s avonds pas laat in slaap, en sinds kort lukt het hem om in de weekenden uit te slapen, mits wij (lees: zijn broertje) zachtjes genoeg opstaan.

Rond een uur of half tien ging ik bij hem kijken. Hij lag met zijn gezicht naar de muur, twee dekens over hem heen, een paar knuffels verspreid over het bed. Om hem voorzichtig wakker te maken, masseerde ik zijn nek.

Ik voelde zijn knokige ledematen. Mijn kleine kind was verdwenen.

Ik schrok van hoe robuust die nek aan het worden was. Niet meer de nek van een kind; de nek van een puber. Ook rook ik hem. Geen zweet, geen stank, maar ook niet meer het geurloze van een kindje. Ik vergat vaak dat ik de dekens van mijn jongens moest verschonen, omdat ze simpelweg geen lichaamsgeur achterlieten. Nu was er een geur. Een geur van slaap, een beetje muf.

Hij werd wakker, draaide zich naar me om en gaf me een knuffel. De geur was sterker nu. Ook voelde ik zijn knokige ledematen. Mijn kleine kind was verdwenen. Hij kwam uit bed, zocht zijn kleren bij elkaar en klapte zijn laptop open. Nog even en hij kijkt er porno op, dacht ik, en dan kan ik maar beter aankloppen voordat ik binnenkom.

We gingen zwemmen, die middag. Nadat ik in het water een beetje met hen had gestoeid en in m’n eentje een paar baantjes had getrokken, ging ik op een plastic kuipstoeltje zitten lezen. Maar het lukte niet echt.

Mijn zoons waren de meeste tijd nergens te zien. Maar soms doemden ze op. Plotseling. Dan was het alsof ze uit ijle lucht waren gematerialiseerd.

Het zwembad trok mijn aandacht. De symfonie van stemmen, gespetter, onverstaanbare popmuziek, de wildwaterbaan. Als een droom. Mensen liepen me voorbij. Ouders met kinderen. Badmeesters. Vreemden die verschenen en verdwenen. Vlak voor me was het pierenbadje.

Twee corpulente vaders zaten erin als beren in een bergstroompje, hun kleine kroost vlakbij hen. En zo gaat het maar door, mijmerde ik. De mensen komen en gaan, worden meegesleurd in die stroom, van baby tot vader tot opa tot aarde.

Mijn zoons waren de meeste tijd nergens te zien. Maar soms doemden ze op. Plotseling. Dan was het alsof ze uit ijle lucht waren gematerialiseerd. Alsof daarvoor hun bestaan slechts een droom was geweest. Ze keken naar me, riepen me even, kwamen iets pakken en waren weer verdwenen.

En dan was het opnieuw alsof ze niet meer bestonden. Niet werkelijk. Hun bestaan moest opnieuw bewezen worden. En iedere keer als dat gebeurde, iedere keer als ik ze zag, was ik verbijsterd en vertederd.

Omdat ze echt bestonden. Omdat ik ze heel even kon zien, in die stroom waarin ze aldoor in verandering waren. Dat ze, hoe kort ook, een vaste vorm hadden, een lichaam om van te zeggen: dat is mijn zoon.

Om vier uur ging het zwembad dicht. De muziek ging uit, de wildwaterbaan viel stil, bijna iedereen was naar de kleedhokjes vertrokken. De droom werd ontmanteld. Tijd voor friet.