Henk van Straten (36) is schrijver, journalist en columnist. Hij is gescheiden en vader van Diek (11) en Tobias (7).

Zondag. Een vriendje van mijn jongste zou komen spelen. Een uur van tevoren kreeg ik een appje van zijn vader: ‘Moet Thijs zijn iPad meenemen?’ Deze vraag was me nog niet eerder gesteld. Ik antwoordde: ‘Nee hoor, dat hoeft niet.’

De vraag liet me niet los. Dat kwam doordat ik niet precies begreep waaróm me die vraag gesteld was. Zo achteloos had het geklonken, alsof het een standaard vakje was dat voor een speelafspraakje moest worden afgevinkt. In de categorie: allergieën, wel of niet mee-eten en wel of geen zwembroek meenemen.

Ik vroeg me af wat eraan ten grondslag kon liggen. Wat zag deze vader voor zich? En hoe had hij het zélf thuis dan graag? Zijn eigen kinderen hebben iPads, maar hij heeft niet genoeg iPads voor een extra gast, dus graag zelf nog eentje meenemen? Misschien, als het speelafspraakje omgekeerd was, en mijn zoon dus dáár ging spelen, zou ik een ander appje krijgen: ‘Kan Tobias een iPad meenemen? Dank!’ Ook in dat geval had ik mezelf verward op het hoofd gekrabd.

Toen Thijs hier arriveerde, gingen hij en mijn jongste samen op de X-Box spelen. Een spel dat ze met z’n tweeën tegelijkertijd konden spelen, dus er was in elk geval sprake van communicatie en contact. Ik dacht weer aan het appje van die vader en zag ze in gedachten naast elkaar zitten, allebei over een eigen iPad gebogen. Ha! Nee, dat ging hier dus heel anders. Hier werd gewoon nog ouderwets samengespeeld, lekker gezellig, met elkaar. Op de X-Box.

Ondertussen zat ik te werken. Later zou ik ze meenemen naar een kleine overdekte jungle, een halfuur rijden hiervandaan. Maar het werken duurde langer dan verwacht. De jongens zaten voor hun X-Box en namen, zoals gebruikelijk, niet eens een plaspauze.

Het blijft confronterend: onze kinderen spelen aldoor op die apparaten omdat wij de kracht voor verzet niet hebben

Vroeger zei ik nog wel eens: ‘Computer uit en nu gewoon gaan spelen.’ Maar dat doe ik steeds minder. Zeker als ik zit te werken. Dat is omdat ik weet dat ik, als die X-Box is uitgeschakeld, de eerste twintig minuten zoet ben met het pareren van gezeur, verveling en argumenten als: ‘Maar papa, ik vind mijn speelgoed gewoon niks meer áán!’ Pas na die twintig minuten, als ik geluk heb, geven ze zich gewonnen en gaan ze zelf iets verzinnen.

Dat blijft confronterend: onze kinderen spelen aldoor op die apparaten omdat wij de kracht voor verzet niet hebben. Ons eigenbelang telt zwaarder, we zijn laks. Bovendien gaat het altijd zo geleidelijk: een halfuurtje gamen wordt drie kwartier, drie kwartier wordt een uur, een uur wordt anderhalf uur.

Het ergste is dat ik soms denk: nou, dan blijf maar lekker gamen, maar kom later niet bij míj klagen dat je geen fantasie, empathie of fatsoenlijke lichamelijke conditie hebt.

Als je dat eenmaal toegeeft aan jezelf, die tekortkoming aangaande gamen, dan is die vader met zijn iPad ineens niet meer zo moeilijk te begrijpen. Misschien is hij wel gewoon eerlijk over het feit dat hij het allang heeft opgegeven.

Wil jij fabulous mama altijd als eerste op je deurmat? Bekijk de exclusieve aanbiedingen op diverse abonnementen>>