De trein van Utrecht naar Eindhoven, waar ik woon, rijdt deze zondagochtend niet verder dan Den Bosch. Er is iemand voor de trein gesprongen.

Op station Den Bosch heerst chaos, mensen zijn ongeduldig, er zijn nog geen bussen ingezet. Ik heb amper geslapen na een nacht in een vreemd bed. De kater maakt me misselijk en lijkt mijn hoofd open te splijten.

‘Wordt zeker een uur later’, app ik naar mijn ex. Ze zou om elf uur onze zoons komen brengen. Ik sta in een lange rij met mensen die wachten op de eerste bussen. Er wordt gezucht en gemopperd. Niettemin zijn mensen zich bewust van de reden voor de vertraging. ‘Tragisch’, zegt iemand. ‘Heel tragisch’, beaamt een ander.

Kon ik maar ergens zitten, kon ik maar uit dit lichaam stappen en mijn intrede doen in een nieuw, fris lijf.

Dan eindelijk de bus, die ons afzet bij het station van Boxtel, vanuit waar we de trein weer moeten nemen. Bovenaan de trap van het station schreeuwt en huilt een meisje de longen uit haar lijf. Twee anderen houden haar vast en zitten geknield naast haar. Ze proberen haar te troosten, maar het heeft geen zin. Misschien kende ze degene die voor de trein sprong, of misschien is het toeval. Wij, de reizigers, lopen haar voorzichtig, maar gehaast, voorbij.

Wanneer ik thuis ben en de deur heb opengedaan voor mijn jongens, zet ik ze voor de spelcomputer en ga ik een uur op bed liggen. De slaap trekt me meteen een koortsige droom in. Als de wekker gaat, wil ik niets liever dan doorslapen, maar ik kom eruit, loop naar beneden, zet de computer uit en gooi de tuindeur open. ‘Laten we een ijsje eten in de stad’, zegt mijn oudste. Ik kan me er eigenlijk niet toe zetten, maar hier thuis blijven hangen, is ook niks, dus we gaan.

Mijn oudste wil toch liever een milkshake van McDonald’s. Mijn jongste krijgt een ijsje van de Italiaan, met twee bolletjes. Ikzelf heb ook een milkshake. We drinken en likken op van die paaltjes die de auto’s moeten tegenhouden, de zon op ons gelaat. Ik heb het gevoel dat ik zal smelten en zou dat ook het liefst doen.

Dan slenteren we langs de winkels. Mijn jongste ziet schoenen met lampjes in de zool. Al voor hij erom begint te zeuren, weet ik dat ik overstag zal gaan. Ik heb nu geen weerstand, geen ruggengraat. Dus hij krijgt ze. Met een knopje kan hij de kleur van de lampjes veranderen en ’s nachts moeten ze aan een oplader.

Mijn oudste wil nu natuurlijk ook wat. Badslippers, maar wel van Nike. “Is goed.” Ik zeg het zo snel dat hij even met zijn ogen knippert. Geen discussie? Geen strijd? Nee, gewoon meteen die badslippers kopen. Thuis trekt hij er sokken in aan. Omdat dat hip is, op een ordinaire manier althans.

In de achtertuin eten we een boterham onder de parasol. Mijn planten wuiven zachtjes in de zomerbries. Mijn zoons kauwen zwijgzaam. Ergens op het spoor tussen Den Bosch en Eindhoven worden lichaamsdelen in een zak gestopt.

Henk van Straten (36) is schrijver, journalist en columnist. Hij is gescheiden en vader van Diek (11) en Tobias (7).