Henk van Straten (36) is schrijver, journalist en columnist. Hij is gescheiden en vader van Diek (11) en Tobias (7).

De afgelopen weken of zelfs maanden verklaar ik steeds opnieuw dat het zover is. ‘Nu is het officieel,’ zeg ik dan. Vervolgens zeg ik het een maand later nog eens: ‘Nu is het écht officieel.’ Ik zeg het wanneer het over mijn oudste zoon gaat. En waar ik aan refereer is het begin van zijn puberteit.

Zijn irritatie was zó buitensporig dat ik in de lach schoot.

Een kind is natuurlijk niet ineens in de puberteit. Of beter gezegd: hij of zij bereikt niet meteen de piek ervan. Het is een gradueel proces. De momenten waarop ik de aandrang voel om te verkondigen dat het officieel is zijn de momenten waarop mijn zoon voor het eerst stereotype pubergedrag vertoont.

De eerste keer dat hij liever de hele middag op zijn kamer zat dan beneden, bijvoorbeeld. Of de eerste keer dat hij zei dat ik niet steeds zo moest zeuren. De eerste keer dat hij woedend op me werd om iets kleins, bijvoorbeeld de keer dat ik hem opdroeg zijn mobieltje weg te leggen terwijl hij midden in een potje poolen zat. Zijn irritatie was zó buitensporig dat ik in de lach schoot.

Als je je best doet kun je je misschien nog voor de geest halen hoe het voelde om zelf een puber te zijn.

Geen goed idee, natuurlijk, om op zo’n moment te lachen. De puberteit moet je proberen serieus te nemen. Voor ons ‘normale mensen’ is een puber al snel grappig, of onredelijk, of meelijwekkend, of gewoon heel vervelend.

Omdat wij al heel wat jaartjes min of meer helder kunnen nadenken is het voor ons lastig ons echt in te leven in iemand die simpelweg niet spoort. Maar als je je best doet kun je je misschien nog voor de geest halen hoe het voelde om zelf een puber te zijn. Voor hen is het juist andersom: zij snappen het wél en wij snappen het níét. Ze voelen zich onbegrepen en alleen.

In het daglicht blijven de spoken op afstand.

Gedurende deze startfase van zijn puberteit is hij ook een beetje als Dr Jekyll and Mr Hyde. Het ene moment is hij een jongetje dat me wil knuffelen en kussen, het andere moment zit hij met een vriendje op zijn kamer rapmuziek te luisteren en plaag-appjes naar meisjes te sturen.

Soms komt hij hij ’s avonds uit bed om te zeggen dat hij niet ouder wil worden, en dat hij zichzelf mist; het kleine jongetje dat hij was. Het is heimwee, vrees en verdriet in één. En eigenlijk is er niets wat ik kan zeggen om het beter te maken. Gelukkig is dat gevoel de volgende dag altijd verdwenen. In het daglicht blijven de spoken op afstand.

Het zijn in elk geval nog géén puistjes.

‘Ik heb kleine bultjes op m’n voorhoofd,’ zei hij laatst. ‘Ik weet niet wat het zijn. Misschien muggenbultjes, of van vlooien of luizen.’ ‘Laat me eens kijken,’ zei ik, en schoof zijn haar opzij. Hij zei: ‘Het zijn in elk geval nog géén puistjes.’

Ik keek naar zijn piepkleine puistjes en zei: ‘Nee, het zijn in elk geval nog géén puistjes.’

Deze column verscheen eerder in fabulous mama | nummer 4 | 2019. Nooit meer iets missen? Abonneer je nu en profiteer van mooie kortingsacties.